Reset
Door Renske Willems
Het is zaterdag en de hele dag is het gezellig druk met de familie Spaeth in huis. Zoals altijd zorgen we dat het hen aan niets ontbreekt: koffiekoeken bij de koffie en een lunch die bijna feestelijk genoemd kan worden. Maar vandaag is het anders. Vandaag is het 24‑uursgebed met vasten, en dus gaan al die lekkernijen aan mij voorbij.
Pas als je niets neemt, valt op hoe groot de rol van eten eigenlijk is. Hoe vanzelfsprekend het is om gastvrijheid in hapjes en schalen te gieten. Terwijl de zalm en brie langskomen, denk ik aan Jezus in de woestijn. Zijn woorden klinken ineens heel dichtbij: “Want in de Boeken staat dat eten niet het belangrijkste is, maar dat de mens ook leeft van ieder woord dat God spreekt.” (Mattheüs 4:4)
Maar hoe werkt dat dan, leven van Gods woorden? Misschien is dat waarom ik samen met een groep vrouwen het Oude Testament in een jaar probeer te lezen. Als Zijn woorden dagelijks brood zijn, wil ik daar elke dag van eten.
’s Avonds stap ik de bidruimte binnen. Het kruis met de doornenkroon, de sjofar, de steen met Bijbeltekst, de namen van God aan de muur, alles ademt eerbied. De gebeden volgen elkaar op als vanzelf: voor de regering, voor het land, voor de gemeente, voor zieken. Het voelt als thuiskomen, als eenheid. Een plek waar kwetsbaarheid veilig is en waar we God vragen te voorzien in wat wij niet kunnen veranderen.
Daar, in die rust, komt de spiegel van het vasten. Het dwingt me te kijken naar mijn leven. Leef ik zoals Romeinen 12:1 beschrijft? “Laat uw lichaam een levend offer zijn, heilig, zodat het een vreugde voor God is. Dat is de beste manier waarop u God kunt dienen.” En 1 Korintiërs 6:19 klinkt ook: “Of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest? ... U bent niet van uzelf! God heeft u tegen de allerhoogste prijs gekocht! Gebruik daarom ieder deel van uw lichaam om God eer te geven.”
Ik weet waar het bij mij wringt: zelfzorg. Wanneer spanningen in de nabije kring oplopen, glijd ik ongemerkt weg in destructieve patronen. Nachten waarin ik pas om twee uur naar bed ga. Lege chipszakken, wikkels en lege verpakkingen in de prullenbak die getuigen van een snackaanval en waar ik ’s ochtends balend van wakker word. De dagen erna zit ik gevangen in het alles-of-niets denken: “Het is nu toch al mislukt, het maakt nu toch niks meer uit.” Het is een cyclus waarin schuld en schaamte elkaar voeden, en voor ik het weet ben ik een week verder en voel ik me uitgeput, lichamelijk én geestelijk.
Daarom voelt dit etmaal zonder eten als een reset. Een onderbreking van een patroon waarin ik mijzelf dreig te verliezen. Want diep van binnen weet ik: mijn lichaam is een tempel van de Heilige Geest. Ik ben gekocht, geliefd, kostbaar. En dus mag mijn lichaam zorg, rust en goede keuzes ontvangen. Niet uit egoïsme, maar uit rentmeesterschap. Als een vorm van aanbidding.
Daarom bid ik om kracht. Om wijsheid en zelfbeheersing. Om hulp, zo te kunnen leven zoals God het bedoeld heeft, elke dag opnieuw.










